Nederland is gebouwd op een simpele belofte: wie werkt, spaart en zich aan de regels houdt, mag erop vertrouwen dat de overheid er is als het echt nodig is. Maar die belofte staat onder druk. Terwijl de zorg duurder wordt, de woningnood groeit, het consumentenvertrouwen al jaren in het rood staat en steeds meer Nederlanders moeite hebben om rond te komen, blijft er jaarlijks miljarden aan belastinggeld naar buitenlandse organisaties, VN-clubs en ontwikkelingshulp stromen. In deze analyse legt Eric Ypma bloot hoe de verzorgingsstaat volgens hem is losgeraakt van zijn oorspronkelijke opdracht: eerst zorgen voor de eigen burgers, voordat Nederland de geldsluizen naar de rest van de wereld openzet.
Voordat onze verzorgingsstaat ontstond waren Nederland en België in de 19e eeuw beide nachtwakersstaten. De nachtwakersstaat is een staat waar de overheid zich zo weinig mogelijk bemoeit met de burgers. De uitvinders van dit systeem, Franse economen, noemden dit ‘laisser faire’, Frans voor ‘op zijn beloop laten’. De enige taak van de overheid was in beginsel het garanderen van de veiligheid van de inwoners door het zorgen voor politie en krijgsmacht. Daarnaast bestaan er een aantal wetten om de rechtsorde te handhaven. Kortom: een staat die zich alleen bezighield met wat er binnen de geografische grenzen gebeurde en de burgers zoveel mogelijk met rust liet en er al helemaal geen hobby’s op nahield, zoals bijvoorbeeld het financieren van buitenlandse organisaties via ontwikkelingssamenwerking.




