
Het Tweede Kamerdebat over ‘het normaliseren van geweld in politiek en samenleving’ op 26 mei was ontluisterend. De discussie over de vraag wie de ‘echte Nederlander’ is, kenmerkt de intellectuele leegte van de huidige politiek. Aanleiding was het optreden van de fractievoorzitter van Forum voor Democratie, Lidewij de Vos, die geen afstand nam van antisemitische complottheorieën en de vraag ontweek of Nederland enkel voor ‘blanke Nederlanders’ is. De Vos stelde dat Nederland is ‘van de mensen die hier van oorsprong vandaan komen’. De tegenwerping kwam van DENK-leider Stephan van Baarle, die de stelling poneerde dat iedereen met een Nederlands paspoort, een Nederlander is.
Misschien zorgwekkender dan het optreden van FVD, was dat niemand in de Kamer een duidelijk weerwoord formuleerde op de vraag wie dan wel een ‘echte Nederlander’ is. Daarmee bleef het verontrustende beeld bestaan dat het Nederlanderschap zich beperkt tot de huidskleur of het paspoort. CDA-leider Henri Bontenbal viel De Vos aan op het feit dat zij een onderscheid maakte tussen de juridische definitie van een Nederlander en de ‘gevoelsmatige’ definitie.
Maar sinds wanneer gelooft de CDA-voorman dat deze definities elkaar overlappen? Het staat in ieder geval in schril contrast met het eigen CDA-verkiezingsprogramma, waarin gepleit werd voor harde inburgeringseisen. Als een paspoort voldoende is voor een volwaardig Nederlanderschap, waarom zouden nieuwe Nederlanders dan nog inburgeren? Het is symbolisch voor de ontwrichtende en tegenstrijdige manier waarop het hele debat wordt gevoerd.
Dat was ook terug te zien in de nasleep van de AZC-rellen in Loosdrecht rond half mei. Enerzijds verkondigen de middenpartijen dat er ‘mensen zoals jij en ik’ in opvanglocaties worden opgevangen, anderzijds heeft het politieke midden continu begrip voor de zorgen rondom veiligheid en het veranderende ‘karakter van de buurt’. Hoe gaan deze twee zaken samen? Klaarblijkelijk is er een onuitgesproken besef dat er wel degelijk grote verschillen bestaan tussen Nederlanders die hier al wonen, en nieuwkomers.
De discussie over de invulling van het Nederlanderschap is voor veel politici nog steeds volledig taboe. De vraag wie of wat de ‘echte Nederlander’ is, was in het verleden echter volkomen vanzelfsprekend en legitiem. Vanaf de negentiende eeuw waren politici en wetenschappers constant met elkaar in debat over de vraag hoe het Nederlanderschap invulling moest krijgen. Ook toen gingen deze discussies gepaard met het in- en uitsluiten van bevolkingsgroepen.
Zo moest het katholieke bevolkingsdeel zich in de negentiende eeuw invechten in het sterk gecultiveerde protestants-liberale natiebeeld om voor ‘echte Nederlander’ te worden aangezien. Katholieken golden als ontrouw aan de Nederlandse natie door hun steun aan de katholieke vorst Filips II tijdens de Tachtigjarige Oorlog en hun vermeende voortdurende loyaliteit aan de paus in Rome.
Om deze beschuldigingen te weerleggen grepen katholieken daarom terug op de cultivering van een gemeenschappelijk christelijk verleden van vóór de Reformatie. Juist de protestanten, zo betoogden zij, hadden de christelijke eenheid van Nederland verscheurd. In de middeleeuwen daarentegen, zouden alle Nederlanders eensgezind het ware christendom hebben aangehangen. Toen zou de beslissende culturele basis zijn gelegd voor de Nederlandse maatschappij.
Cultivering van een gezamenlijk geschiedbeeld kan een belangrijke stap zijn in succesvolle integratie
Deze katholieke casus laat zien dat de cultivering van een gezamenlijk geschiedbeeld kan dienen als een belangrijke stap in de succesvolle integratie van een bevolkingsdeel. Dit was echter alleen mogelijk omdat de protestantse en liberale elite hun eigen claims hadden gelegd op het ‘echte’ Nederlanderschap. Deze openlijke cultivering gaf katholieken enerzijds mogelijkheden om aansluiting te vinden bij het ‘nationale verhaal’ en anderzijds het beeld van de ‘echte Nederlander’ bij te stellen.
De huidige invulling van het Nederlanderschap biedt op geen enkele wijze ruimte om soortgelijke, schijnbaar onverenigbare tegenstellingen te overbruggen. Het roept de vraag op of het niet zinvol zou zijn om de Nederlandse geschiedenis veel meer te betrekken bij discussies over het Nederlanderschap.
Zeker ten aanzien van het koloniale verleden zijn er binnen de geschiedschrijving al pogingen gedaan tot een meer integrale benadering van de relatie tussen Nederland en de voormalige overzeese gebieden. Het idee daarachter is dat niet alle ontwikkeling enkel en alleen vanuit het moederland kwam, maar dat er sprake was van een wederzijdse beïnvloeding. In een gedeelde geschiedenis van meer dan vierhonderd jaar, weliswaar gekenmerkt door een asymmetrische relatie, zijn voldoende aanknopingspunten voor een gedeeld en afgewogen geschiedverhaal.
Een dergelijke cultivering vereist echter kennis van het eigen verleden en een actieve participatie van de politiek en wetenschap. Net als voorheen dienen zij het als hun (neven)taak te zien om de natie historisch te funderen. Pas daarna kan de vraag worden gesteld in hoeverre er daadwerkelijk een gemeenschappelijke basis bestaat voor een gedeeld Nederlanderschap.
Nu blijft deze kwestie onbeantwoord, omdat zij niet bediscussieerd wordt. Zolang politici en wetenschappers nalaten om hierover van gedachten te wisselen en het niet als hun taak zien om deze culturele leegte op te vullen, krijgen beperkte invullingen van het Nederlanderschap ruim baan.
Ivo van Donselaar (29) is historicus en cotutelle-promovendus aan het Zentrum fur Niederlande-Studien van de Universität Munster en de Radboud Universiteit Nijmegen. Is gastonderzoeker bij het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. Doet onderzoek naar de ideologie en de politieke omzetting van het pangermanisme in Nederland tussen 1880 en 1945, waarin ideeën over natievorming en etniciteit centraal staan.




