
‘Voor het harteloze en eerloze ontslag als militair, voor de gebrekkige opvang en huisvesting, voor niet gezien en in de steek gelaten worden, voor het onvervulde verlangen naar thuis, voor het verdriet en pijn in zo veel Molukse gezinnen, daarvoor bied ik vandaag namens de Nederlandse regering excuses aan.’
De zorgvuldig gekozen woorden die premier Rob Jetten uitsprak op zondag 21 juni vormden een waardig excuus. Hij sprak ze uit op de Lloydkade in Rotterdam, bij de inhuldiging van een Nationaal Moluks Monument. Dat herdenkt de komst van bijna 13.000 Molukkers naar Nederland, 75 jaar geleden.
De oud-KNIL-soldaten – die aan de kant van Nederland vochten in de dekolonisatieoorlog – en hun gezinnen hoopten in 1949 bij de onafhankelijkheid van Indonesië op een onafhankelijke Molukse staat.
Maar die kwam er nooit. In de Molukse gemeenschap, inmiddels zo’n 70.000 mensen, is nog veel onvrede over de behandeling door de staat, vertelden ook vier Molukse Nederlanders in maart aan EW.
Door het herdenkingsjaar komt de kwestie in een stroomversnelling. De Tweede Kamer stemde dinsdag 16 juni al in ruime meerderheid voor een motie van Don Ceder (ChristenUnie) over de kwestie, ondertekend door twaalf andere fracties.
Die motie roept het kabinet op tot een ‘onafhankelijk onderzoek’ naar de behandeling van Molukkers in Nederland. Het onderzoek moet leiden tot ‘een passend gebaar dat recht doet aan de gemeenschap’.
Zo’n gebaar kan een goed vervolg zijn op de (volgens critici kosteloze en vrijblijvende) excuses van de regering. Net als bij de excuses voor het slavernijverleden door toenmalig premier Mark Rutte in 2022 zou de stap van Jetten ‘geen punt, maar een komma’ moeten zijn.
Maar de roep om ‘onafhankelijk onderzoek’ suggereert dat nog niet objectief vaststaat wat de Molukse gemeenschap is overkomen. Onzin. De afgelopen decennia zijn er boekenkasten vol over geschreven.
De Nederlandse staat heeft de Molukse KNIL-soldaten niet eervol behandeld, maar ze op dienstbevel naar Nederland gehaald om hen hier te ontslaan en met hun gezin in kampen op te vangen.
Deze vernedering ging gepaard met een zwak sociaal beleid, een zeer trage en matige integratie in de maatschappij (en op de arbeidsmarkt), en een jarenlange ont- of miskenning van de bijdrage die deze groep gedwongen immigranten had geleverd aan de Nederlandse krijgsmacht in de Oost.
Deels is het lot van de Molukkers een noodlot. De Nederlandse staat kan amper verantwoordelijk worden gehouden voor het mislukken van een onafhankelijke Molukse republiek. Maar deels vormen de oneervolle behandeling en het uitblijven van enig perspectief voor de eerste, maar ook de tweede generatie Nederlandse Molukkers, zeker redenen voor excuses en ‘een gebaar’.
Nee, Tweede Kamer. Wat de excuses van Jetten betekenen en welk gebaar volgt (en wat het mag kosten), hoeft niet te worden onderzocht. Dat zijn puur politieke vragen, waarop u zelf het antwoord moet bedenken. Het afschuiven van deze verantwoordelijkheid naar een of andere commissie met duurbetaalde onderzoekers is politieke lafheid. En de Molukkers hebben meer verdiend dan lafheid alleen.




